Cornelis Vreeswijk schreef; ‘Van de nozem en de non’. Na een beetje experimenteren kwam ik tot het volgende;
Een mooie dag
Ik zat laatst in een parkje op een pas geverfde bank
Toen kwam ze naast me zitten, zongebruind en superslank
‘Ze werkte bij een bank’
Ze zei ’Ik heet Marina, en ik zei ‘mijn naam is Bas’
Ze zei dat dat een mooie naam voor stoere mannen was
Ze had een diepe bas
Zij vroeg op opgewekte toon ‘zeg ga je met me mee’
Ik zei toen, ‘ nou, dat is gezellig en ik zeg geen nee’
Het weer zat ook wel mee
We liepen in de zon die op die dag uitbundig scheen
We liepen een paar straten door, ik wist toen niet waarheen
Maar zij wel naar het scheen
We kwamen in een straat terecht, ik zeg niet hoe die heet
Een straat met dure huizen, en men is daar zeer discreet
Op straat werd het knap heet
Ze loodste me een woning in, het was er schaars verlicht
Ze keek me liefjes aan en wreef het zweet van mijn gezicht
Mijn nood werd zo verlicht
Ik bleef er dus een poosje, een verblijf van lange duur
De rest van de geschiedenis komt niet door de censuur
Maar mens, wat was dat duur.