Martientje Moen had poen van doen
en Mietje Mas zat krap bij kas.
Ze hadden al niet veel fatsoen,
nog minder als het geld op was.
Geen fluit geen dans, zei Tientje toen
en Hansie, Fransie, Pol en Nand
die kwamen langs om het te doen,
niet op krediet, altijd contant!
Geld maakt werk zoet, zei onze Miet,
geen man maakt mij van arbeid bang.
Ze ging van bil, die loense griet,
haar put was droog maar niet voor lang.
Altijd paraat voor elke klant,
van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat,
vanuit de kroeg tot heer van stand.
Ze zagen nooit in iemand kwaad.
Ze leefden rijk, kleedden zich chic,
een jurkje hier, een rokje daar,
betaalden stipt of periodiek
en heel royaal, ja dat is waar.
Met geld op zak, overal thuis:
ze reisden vaak de wereld rond,
heel ver van huis, maar zelden kuis,
het kontje rond en kerngezond.
Maar ’s werelds goed is eb en vloed.
De leeftijd kwam waarop een man
het liever met een jong ding doet.
Ja, Tien en Miet, daar sta je dan!
Teveel over de balk gegooid!
Dus nu in ’t krijt en op de pof!
Geheel onthutst, totaal berooid,
beten ze beiden in het stof.
Dus meisjes lief, als je wat wil,
ga asjeblief niet snel van bil.
Die meiden vond ik heel plezant,
maar ik zeg liever luid dan stil:
geef mij maar dames met verstand!
© Guido Vanhee,