Rozemarijn S. was haar naam.
Ik dacht het zal voor Salie staan.
Ze ving mij in haar hagewinde
om mij, heer Moes, aan haar te binden.
Mijn mierikswortel schoot omhoog
in ’t zachte lievevrouwbedstro.
De grote weegbree werd een wieg.
‘k Word kankerbossie als ik lieg:
ons Wilgenroosje is een schat,
half kattenstaart, half duizendblad!
Marijntje geeft haar vogelmelk
uit langgerekte aronskelk.
De guldenroede spaar ik niet.
Mijn vurige papavergriet
heeft nu een pronkerwt in ’t verschiet!
Geen anemoon die het nog ziet
als weer een narcis wordt geboren.
Ik heb ze wel verdiend…
mijn imposante riddersporen!
© Guido Vanhee