|
Welkom,
Gasten
|
|
Er zijn van die dingen die kunnen prikken.
Een naald zonder draad die op de vloer ligt. Een wesp in een witte waas van gifstof, verdwaald uit een zonet verdelgd nest. Vorken prikken, en ook snorren prikken, de harige mammoet, vergeet die niet. Er zijn zelfs slachtoffers van prikken, bijvoorbeeld jij, of ezeltje, of een ballon. Prikken zijn ook, lees ik, kaakloze vissen, ze heten dan lampreien of negenogen, maar met acht ervan kunnen ze niet zien. Vreemd wordt zo’n woord, zo bekeken. De volgende keer gaat het over steken. |
|
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
|

Het regent en de dagen blijven duister.
De wereld, in een nevel, o, wat grauw!
Het leven mist zijn vaart en kent geen luister,
De neuzen nat, de kelen voelen rauw.
Wat haken wij nu naar wat hemels blauw.
Wat zon, wat warmte, lijkt ons zoveel juister.
Wat haten wij dat nat, die waterkou:
Ons ongenoegen klinkt steeds ongekuister.
’t Verlangen blijft voorlopig onvervuld.
De maanden melden zich in vast gelid;
De regen zal nog heel wat weken dreinen.
’t Is tijd voor hete grogs en warme wijnen,
Het lichaam lijdt aan stijfte, jicht en spit.
Er zit niets anders op dan veel geduld…
(schilderij:Gregory Thielker)