Het is de eerste mooie lentedag.
Mijn veel te warme jas laat ik dus open.
Ik loop het park door met een brede lach;
het is de eerste mooie lentedag.
Een jongedame schrikt van mijn gedrag
en zet het daarna gillend op een lopen.
Het is de eerste mooie lentedag.
Mijn veel te warme jas laat ik dus open.
je bent weer kind en telt de golven in een mui de vlokken sneeuw die vallen in je achtertuin en vogels, opgejaagd door wind en regenbui je telt de hele stenen in een stapel puin
en later tel je weer de klappen die je kreeg zovele misverstanden door een woordje fout en al die keren dat je onbeholpen zweeg terwijl je zeker wist, juist nu is spreken goud
je telt de dreunen die je zelf hebt uitgedeeld partijtjes ook die jij niet eerlijk hebt gespeeld dan voel je spijt die is gemengd met vals plezier
maar liever niet vermorste uren in de kroeg en wie je hebt vertrapt die enkel aandacht vroeg je bent dan op jezelf opeens niet meer zo fier