Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

 

Het was het jaarlijkse bestuursbuffet 
Van visvereniging De Kelen Smeren 
Waarop de penningmeester het budget 
Voor komend visseizoen zou declameren 
Hij hief het glas en sprak toen: Mijne heren 
De ledenafdracht wordt correct voldaan 
Waardoor we bakken duiten genereren 
Het is u ongetwijfeld niet ontgaan 

Ik heb het veilig op de bank gezet 
Maar geld is er vooral om te spenderen
Dus Willem zal nu rondgaan met een pet 
Waarin u uw ideeën kunt poneren
Hoe of we samen kunnen profiteren 
Van deze zak met geld, ons toegestaan 
(Men kan dit als een schurkenstreek typeren 
Het was u hoogstwaarschijnlijk niet ontgaan) 

De voorzitter sprak weldra: Opgelet! 
Het is bekend wat wij het meest begeren: 
Zo'n mooi en opzienbarend groepsportret 
Dat wij tot nu toe jammerlijk ontberen 
Waarop men ons in onze sjiekste kleren 
Als visser aan het werk kan gadeslaan 
Waarop we onze welvaart etaleren 
Een werk, kortom, dat niemand kan ontgaan 

Helaas. Het weer was niet echt je van hèt 
Toen men de schilder vroeg te arriveren 
Dat zal je zien. Dat uitgerekend nèt 
Wanneer je met elkander moet poseren 
Een onweersbui je plannen komt versjteren 
Hun hele visvoorstelling naar de maan 
Een domper die men niet kon appreciëren 
Maar dat was u waarschijnlijk niet ontgaan.


(Schilderij: Regenten van het Loridanshof te Leiden, Jacob Fransz. van der Merck 1658)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Wobbelborg (naar Lewis Carroll)



't Was brimstig en de slijtse toof
Droof gronk en glimpig in het zwamp
De mimse bostels waren oof
En de maamrak uitte hamp

'Zoon, hoedt u voor de Wobbelborg!
De bijtekaak, de klauwengrijp
Ontwijk de flubberkauw, ontduik
De frumpse nekkenknijp'

Hij nam zijn vorplend zwaard ter hand
Lang zocht hij naar de zwuige barg
Hij rustte loom bij de tontoboom
En stond daar, vol van kwarg

En, wijl hij daar verkwargend was,
De wobbelborg, met ogenvlam,
Kwam wif door het verstromd gewas
 En burfde toen het kwam.

En een en twee, en om en heen
Het vorplend zwaard ging snij en snoer
Het beest ging dood en met zijn hoofd
Glumpeerde hij retour

 'En is de Wobbelborg passé?
Ach strale jongen, knuf mij lang!
O, zwateldag, kadoem kallee'
Verdrogde hij, vol zwang

't Was brimstig en de slijtse toof
Droof gronk en glimpig in het wamp
De mimse bostels waren oof
En de maamrak uitte hamp