De dagen werden tergend langzaam maanden, 
                de maanden regen zich aaneen tot jaar;  
                ik loop weer langs het stille pad langswaar 
                wij beiden samen ooit getweeën gaande, 

                onszelf veroordeeld hadden tot elkaar 
                en ons een korte wijle tweezaam waanden, 
                elkanders allerdichtste nabestaanden; 
                maar ook ons liefdesbed verwerd tot baar. 

                Wat valt voor troost aan leven te ontlenen 
                wanneer elk herfstblad wegdrijft in de goot, 
                wat komt reeds bij de aanvang is verdwenen 

                en het verlangen naar de liefde metterdood 
                steeds door één waarheid wordt beschenen; 
                de eerste kus waarmee je mij verstoot?


 

Vandaag is het de sterfdag van de dichter J.C. Bloem, dus een mooi gedicht in zijn stijl leek me wel gepast, al zal de oplettende lezer zien dat het een bout-rimé is met rijmwoorden uit een sonnet van Jean Pierre Rawie.

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Utrechts sonnet 3



Het najaar valt en wolken drommen samen
De vogels trekken naar het zuiden toe
Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
En hoe de tijd vervloog, het maakt me moe

Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
Vanuit het niets, ineens, geen mens wist hoe
Ze floten en ze krasten onze namen
En riepen op tot moord en amour fou

Ze floten en ze krasten onze namen
Het werd een drama en een hoop gedoe
Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
En hoe de tijd vervloog, het maakt me moe

Gelukkig is er kaas en rode port
Ik eet en drink en zie wel wat het wordt.