Kerstmis
 
 
Het is het oudste trucje in het boek
 
'Mag ik u, mijne heren, inviteren
Voor een bijzonder enig kraambezoek?
Het kind is schoon, gewikkeld in een doek
Ontdaan van alle slijm en moederkoek
Een schatje, kan ik u wel informeren
U kunt het met gemak lokaliseren
Het is vlakbij en practisch om de hoek'
 
Het is het oudste trucje in het boek
 
'Shit Mosje, ik moet hyperventileren
Vergeef me dat ik zeer hartgrondig vloek
Hij is hem met de schaapskudde gaan smeren
Die vuile rotzak met zijn glitterbroek
Je zou zo'n vent toch serieus bezeren!'
 
Het is het oudste trucje in het boek
 
 
Vandaag omdat het kerstfeest is een vers in de versvorm die “Feest” heet. Een door Jaap van den Born bedachte versvorm waarover hij het volgende schreef:
“Deze versvorm, die als onderwerp iets feestelijk dient te beschrijven, is gebaseerd op mijn geboortedatum 17-1-'51 en bestaat uit een vaste refreinregel als boven en twee coupletten van 7 en 5 regels met het rijmschema A baaabba A babab A. De eerste refreinregel kan ook als titel dienen en deze regel mag iets variëren en moet in elk geval in de laatste regel van betekenis veranderen. Het aaa in het eerste couplet is geschikt om even te zeuren, als een naald die in de groef blijft hangen”.
 
Over de inhoud van bovenstaand vers, dat we ergens van zijn ooit roemruchte blog “Een open boek” plukten nog het volgende: Het gedicht is een knipoog naar de kenner van het werk van Drs. P. Het is namelijk een berijmde versie van zijn kerstverhaal “Weer zo’n schrijnend geval” dat onder het pseudoniem ‘Fred Glashouwer’ (ds. Willem Glashouwer was toen de bekende voorzitter van de Evangelische Omroep) verscheen in het blad ‘Caramba’ nr. 6 van 23 december 1978, dat verder alleen een stripparodie bevatte.
 
Veel succes naar het boven water tillen van dat verhaal of anders : Schrijf ook eens een feestgedicht in deze vorm…
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

In bethlehem

‘Een bed?’ vroeg hun de herbergier,
‘Ik heb hier niets en niemendal
alleen een plekje in de stal.’
En weg was hij met bladen bier.

‘Ach, ’t is toch best gezellig hier,
wat maakt het uit’, sprak zij, ‘geen bal.’
‘Hou jij je mond dicht en beval!’
‘zei hij en plette boos een mier.

‘Hé, ezel’, sprak het grootste dier
met luide stem en veel plezier:
‘wat denk je dat het worden zal?’

De vrouw begon te persen: knal!
‘Een meisje!’ riep ze moe, maar fier.
‘Oh nee’, zei hij, ‘daar heb je ’t al!’