Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Kijk, daar komt de Schrikkelspork.
(Achterneefje van de Uffel,
weggemoffeld bastaardbroertje
van de welbekende Knork.)
 
Veertienhonderdzestig dagen
hoefde je hem niks te vragen,
veertienhonderdzestig nachten
sliep hij diep, zonder gedachten.
 
Doch welingelichte kringen
melden dat de Haas gaat springen,
dus ontwaakt de Schrikkelspork
met een kriegelige snork.
 
(Liever was hij blijven knorren,
want hij sukkelt zo met jicht
en het jeukt weer schrikkelbarend
in zijn ene tijdsgewricht.)
 
Oei, hij hinkelt en hij hompelt
op zijn manke achterbeen;
kijk toch hoe hij aldoor struikelt
over zijn reserveteen...
 
Snapt hij wat er aan de hand is?
Is hij nog op tijd erbij?
Horen we de Haas al hijgen?
Strakke eindspurt – Ja! Buut vrij!
 
Joechei! jubelt de Uffel,
geëchood door de Knork.
Die hebben we weer binnen
door ónze Schrikkelspork!
 
Maar hijzelf duikt in zijn duffel,
toffelt zwijgend naar zijn hol.
Eer de Maartse Haas geland is
koffert hij zijn knikkebol.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Monovocaal sonnet



BONO, YOKO & JOHN


Bono botst op Yoko’s lof voor John. Hoor:
“’Rock ’n Roll’ kotst trots”, schoolt Bono. ’Zocht
Bono’, vorst Yoko, ‘John voor rot…?!’ ”Proost!” Bocht
stroomt. Bono's toost port op tot door-

dronk. Toch, vlot schopt Yoko ’t rotjoch.
Bono’s woord stopt. Yoko’s toorn noodt
nor-tocht: voor ’n poos, Yoko bromt. Dood,
Bono noopt tot doloroso slot. Och,

Yoko’s pols, broos, nog poogt los…nop.
Stroopmoord op Bono…dom. Onttroond,
Yoko rot. Mocht boktor noch worm, doch loont
zo’n doodswond door goor vocht, brood; strop.

Yoko, dol, hoort Bono nog: “Johns doorwrocht solo
rondo loopt, grosso modo, krom! Ho! No! YOLO!”