Lang had de Snavelstaart gewacht
en stil had hij gezwegen;
aan sproeten had hij nooit gedacht,
toch heeft hij ze gekregen.
 
Wat is de Zin? zo peinsde hij.
Waarom kreeg ik geen voeten
of vleugels, maar voorzag men mij
van honderddertien sproeten?

Hij pakte puur op zijn gevoel
zijn staartpunt in zijn snavel
en trok zijn hele buitenboel
naar binnen door zijn navel –
 
En floep! hij was een Suizebol,
vanbuiten vol, vanbinnen dol,
die door de ruimte tolde
 
tot hij in ’t sterrenstelsel Froen
getroffen door een zwerkbalschoen
een muizenhol in rolde.
 
Een eeuwigheid of tig miljard
gebeurde in dat zwarte gat
geen sikkepit, geen snars, geen spat.
 
Er moet Iets zijn dat mij dit flikt,
dacht hij. Het is Al voorbeschikt.
Er moet Iets... 
(enz.) – totdat:

 
Zwoesj! Froen vloog in een sterrenstorm
een bocht uit van de tijd;
prompt sprong hij in zijn oude vorm
van voor de sproetigheid.

(Een achterlijf van enkel staart,
als voorlijf slechts een snavel
en met daartussen uiteraard
die peilloos diepe navel.)

De Snavelstaart is terug bij af:
hij weet van niks en zwijgt.
Vandaag of morgen staat hij paf,
als hij weer sproeten krijgt.
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Bij de dood van F. Starik



Vanochtend ging de dag niet goed van start:
Ik las het in de krant en dacht: och heden,
Alweer is er een dichter overleden 
Ik ben derhalve droevig en verward 
 
Ik wist wel dat het lot de mensen tart 
Ook zij die aan het dichten tijd besteden 
Die worden door de dood heus niet gemeden 
Maar dichten blijkt ook kwalijk voor het hart 
 
Zo kort na Menno Wigman's overlijden 
Besloot het blinde lot een levensdraad 
Van weer zo'n goede dichter door te snijden 
Waardoor diens zwakke hart niet langer slaat
 
Het heeft geen zin, toch vraag ik heel bescheiden
Of nu het lot het even hierbij laat