De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Sinus en cosinus (voor N.)


Eindeloos deinen ze voort als twee vervlochten slangen
Van elkaar afgeleid, maar steeds uit fase
De kosmos opgesplitst in dubbel pi

Twee schaatsers draaien hun rondjes
Eerbiedig een kwart baan uit elkaar
Toch treffen ze elkaar op de kruising

Eeuwig stijgend, dalend, maar altijd terug op de nullijn
(Liever geen cijfers voor de komma)
Eeuwig buigend, maar nooit barstend

Laat ze ongemoeid golven tussen nooit en nooit
Of kwadrateer ze en maak ze één