Gun uzelf vuurwerk, het is toch Oudjaar!
Grr! grommen honden, wij bijten u allen
Vakbond van honden gekant tegen knallen
Weest u toch wijzer, denk na en bespaar

Ons deze ongein. Elk jaar de sigaar
Maar deze keer gaan er slachtoffers vallen
Wij staan gereed bij de vuurverkoopstallen
Bor blaft ons toe, ja wij zijn er voor klaar

Tandengeblikker. Bor gromt omineus:
Wee wie alhier door aanwezigheid schittert
Billen of kuiten, geen moeilijke keus

Mensen, behandel ons minder onheus
Keer op uw weg, wij zijn ernstig verbitterd
Bloedbad of stilte, ziedaar onze leus!


De redactie was verrast dat er toch nog mensen het nieuwjaarssonnet ingevuld hadden en we vonden dit de leukste, al heeft Jaap van den Born zich hevig opgewonden over het enjambement tussen het eerste en tweede couplet.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Schoonheid (Baudelaire)



De schoonheid

Ik ben mooi, en voor mensen een droom van albast,
en mijn borst, waaraan ieder zich steeds weer bezeert,
is gemaakt met als doel dat hij dichters sommeert
tot een liefde die zwijgend is, tijdloos en vast.

Waar ik troon als een sfinx in het hoge azuur
is mijn hart als van sneeuw, ben ik wit als een zwaan.
Ik verfoei het dat lijnen teloor kunnen gaan,
dus ik lach noch ik huil, en ben nooit overstuur.

Aan de voet van mijn rijzige marmerstatuur,
die immuun is voor zonlicht, voor striemende wind,
tuurt mijn meute van minnaars omhoog, uur na uur,

naar de glans van mijn ogen, het spiegelend paar,
waar ze zoekt, in een roes die hen allen verbindt,
naar een glimp van wat schoon is, onzegbaar en klaar.



xxxxx

La beauté

Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun s'est meurtri tour à tour,
Est fait pour inspirer au poète un amour
Eternel et muet ainsi que la matière.

Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.

Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;

Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!