Het regende, de wind was west
Je mooie kleding was verpest
Ik opende voor jou mijn poort
Je kreeg mijn warmste welkomstwoord en warmste vest

Toen werd het koud, de wind was noord
Dus bleef je in mijn toevluchtsoord
Het heeft gehageld en gehoosd
We hebben aangenaam verpoosd, heel ongestoord

Het bleef maar koud, de wind was oost
Je zei iets liefs, ik heb gebloosd
De kou bracht bloemen op de ruit
We hebben bij het stormgeluid geminnekoosd

Nu wordt het warm, de wind is zuid
Je wordt gelokt door blij gefluit
Je hebt bij mij geen huisarrest
Dus kom, verlaat ons warme nest, kom, vlieg eruit

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Vertalingen



Daar is-ie

Lente laat zijn blauwe lint
zwierig door de luchten zweven;
zoet-vertrouwde geuren geven
kietelend het land een hint.
Maarts viooltje droomt:
binnenkort ontluik ik.
– Hoor, van ver
een wijsje zacht en loom!
   Lente, daar ben jij!
Jou ja! voel en ruik ik.


Hatsjie

Lente laat zijn lauwe wind
grasduinend door velden zweven;
bloesemende bomen geven
kietelend mijn neus een hint.
Maarts viooltje droomt,
wil met hommels dollen.
— Voel alweer
zo’n snot- en tranenstroom!
   Lente, bah, hatsjie!
Jij weer met je pollen.


Er ist’s

Frühling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte;
süße, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen.
– Horch, von fern
ein leiser Harfenton!
   Frühling, ja du bist’s!
Dich hab’ ich vernommen!

Eduard Mörike (1804-1875)