
Gisteren was het zover. De finale van de Willem Wilmink Gedichtenwedstrijd 2026. Verslaggever ter plaatse en tevens supporter van finalist Maarten van Petersen, René Turk noteerde het volgende:
Er is een fantastische opkomst in de bibliotheek van Almelo. Twan Vet interviewt Herman Finkers die ouderwets op dreef is. Finkers laat ons het verschil zien tussen 'grappig doen' en 'grappig zijn'. Hij vertelt anekdotes over zijn vriend Willem Wilmink en zingt een prachtig lied over hem. De vele gastdichters (Jan J. Pieterse, Jan Boerstoel, Jean-Pierre Rawie, Frank van Pamelen, Katinka Polderman, Wietske Loebis, Theo Danes, Rosa Schogt en Twan Vet) gingen met het boekenweekthema 'mijn generatie' aan de slag. De voorzitter van de jury, Willem van Dooren, zong 'Talking about my generation' van The Who. Beter gezegd: dat mochten wij doen! De HVV'ers Bart, Han, Pim en ondergetekende waren aanwezig.
Na de pauze kwamen de tien finalisten aan bod. Er waren maar liefst 367 inzendingen, veel daarvan hadden titels met nachtelijke tijdstippen, aldus de jury. Enkele gedichten hadden niet de verplichte zin in de inhoud. Eén inzending bevatte de zin van vorig jaar. En er was één inzending, overduidelijk met AI gemaakt. Deze werd abrupt terzijde geschoven. De combinatie 'slapen-gapen' kwam erg veel voor.
Onze Maarten behaalde een zeer verdienstelijke vierde plaats. Judith Nieken werd de winnares!
René
De uitslag vind je hier:
Het gedicht van Maarten dat op de 4e plaats eindigde kan je alvast hieronder lezen en bewonderen evenals het winnende gedicht van Judith.
De Schaatsfanaat
Aan schaatsen heb ik ooit mijn hart verloren
Ik weet nog goed, ik was een jaar of tien
Het zou die nacht gaan vriezen, dus misschien
Een eerste tochtje op mijn nieuwe noren?
Ik was zowat met schaatsen aan geboren
Hier had ik heel het jaar al op gewacht
Ik deed geen oog meer dicht de hele nacht
En sloop het huis uit bij het ochtendgloren
Gespannen kwam ik bij het water aan
De wintervlinders dansten in mijn maag
Helaas! Er lag een flinterdunne laag
Dat ijs, het was te vroeg om op te staan
Te laat om nog te slapen, ging ik zitten
Een bankje naast dat lullig laagje ijs
Daarna werd heel mijn wereld langzaam grijs
Door slaapgebrek zat ik al snel te pitten
Mijn ouders vonden mij een paar uur later
Versteend, vernikkeld, slapend op die bank
'Hij leeft nog' riep mijn moeder, 'god zij dank!'
Er lag op mij meer ijs dan op het water
Aan schaatsen heb ik ooit mijn hart verloren
En niet alleen mijn hart, want sinds die tijd
Ben ik drie vingers en wat tenen kwijt
Die zijn er op die ochtend afgevroren
De moraal:
Een goede nachtrust voordat u gaat schaatsen
Voorkomt dat u straks rondloopt als melaatse
Aan schaatsen heb ik ooit mijn hart verloren
Ik weet nog goed, ik was een jaar of tien
Het zou die nacht gaan vriezen, dus misschien
Een eerste tochtje op mijn nieuwe noren?
Ik was zowat met schaatsen aan geboren
Hier had ik heel het jaar al op gewacht
Ik deed geen oog meer dicht de hele nacht
En sloop het huis uit bij het ochtendgloren
Gespannen kwam ik bij het water aan
De wintervlinders dansten in mijn maag
Helaas! Er lag een flinterdunne laag
Dat ijs, het was te vroeg om op te staan
Te laat om nog te slapen, ging ik zitten
Een bankje naast dat lullig laagje ijs
Daarna werd heel mijn wereld langzaam grijs
Door slaapgebrek zat ik al snel te pitten
Mijn ouders vonden mij een paar uur later
Versteend, vernikkeld, slapend op die bank
'Hij leeft nog' riep mijn moeder, 'god zij dank!'
Er lag op mij meer ijs dan op het water
Aan schaatsen heb ik ooit mijn hart verloren
En niet alleen mijn hart, want sinds die tijd
Ben ik drie vingers en wat tenen kwijt
Die zijn er op die ochtend afgevroren
De moraal:
Een goede nachtrust voordat u gaat schaatsen
Voorkomt dat u straks rondloopt als melaatse
Maarten van Petersen
*
ZONDAGMORGEN
Ik weet niet waar ik uithang
Ik heb geen flauw idee
Ik lig maar wat te liggen en mijn lijf werkt amper mee
Ik ben sinds vrijdagmorgen
De weg een beetje kwijt
Het is hier nogal donker, ik heb geen besef van tijd
De ruimte galmt en echoot
Het lijkt wel een gewelf
Er hangt een geur van mirre – o, verrek, dat ben ik zelf
Ik was het haast vergeten
Dit linnendoek incluis
Maar langzaam dringen flarden door van spijkers en een kruis
Nu is het lijdzaam wachten
Op hulp van bovenaf
Zodat ik weer kan lopen, wég kan lopen uit dit graf
Maar tot het zover is, lig ik compleet op apegapen
Te vroeg om op te staan
Te laat om nog te slapen
Judith Nieken
*
