Het was een bijzondere dag voor het Nederlands Poëziecentrum, dat vandaag bezoek ontving van niemand minder dan de Haagse Dichter Daan de Ligt, die kwam inspecteren hoe zijn werk er bij stond.
Nadat hij in een eerbiedige stilte met veel strijkages ontvangen was door de beheerder Wim van Til, viel de gelauwerde Poëet nog iets bijzonders ten deel: een zware delegatie van Het vrije vers mocht hem een Liber Amicorum overhandigen, gevuld met tientallen bijdragen van vrienden en bewonderaars van zijn werk.

Nadat de uitzinnige menigte, bestaande uit jeugdige en voornamelijk vrouwelijke volgelingen van de Haagse Ziener, tot bedaren was gekomen, sprak de ontroerde dichter een dankwoord uit tot de aanwezigen, waarin hij de geschiedenis van de Poëzie behandelde en de verschillende stromingen en hun tekortkomingen. Daarop volgde nog een langdurig betoog over de betekenis van de apostrof, ademloos gevolgd door het doodstille publiek, terwijl ijverig aantekeningen werden gemaakt.
Hierna nam hij afscheid om de rest van de stad aan een inspectie te onderwerpen, begeleid door een schare vrouwelijke volgelingen, de aanwezigen verpletterd achterlatend.

Daan de Ligt ontdekt een onbekende titel tussen zijn werk

Daan de Ligt is verrast


Het boek wordt uit zijn handen gerukt om officieel, met een dorre toespraak,  overhandigd te worden door Jaap van den Born namens Het vrije vers.

Het Liber amicorum voor Daan de Ligt is tot stand gekomen op initiatief van Peter Knipmeijer en samengesteld door de redactie van Het vrije vers  na een oproep. Binnen een week waren tientallen bijdragen binnengestroomd, wel een teken van de geliefdheid van deze dichter.
Het zal niet in de handel komen, maar wordt een dezer dagen tegen kostprijs ( toch nog 16 euro, dat krijg je met die luxe-uitvoeringen in kleurendruk)  beschikbaar gesteld voor belangstellenden en bijdrageleveraars. Onder het leesmeerteken vind je de namen van degenen die in het boek staan en een link om het te bestellen.





 

Om te bestellen klik hier.

Bijdragen van:

Cor van Welbergen

Egbert Jan van der Scheer

Inge Boulonois

Joke de Groot

Frits Maij

Johanna van Zwet

Wim Jilleba

Remko Koplamp

Jaap van den Born

Jacob van Schaijk

Frits Criens

Bas Boekelo

Frans Woortmeijer

Hans Mooi

Alexander Peters

Albert Stuurman

Coenraedt van Meerenburgh

Max van Velzen

Vera De Brauwer

Judy Elfferich

Pietersz van Calumburgh

Blaevoet

Niels Blombergh

Nanne Nauta

Quirien van Haelen

Theo Danes

FF Negmeijer

Frank Fabian van Keeren

Peter Knipmeijer

Martijn Neggers

Jan van der Haar

Aaike Jordans

Ton Peeters

Rob Boudestein

Ben Hoogland

Gezienus Omvlee

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Scheveningse tram

Tram
Wikimedia.Commons
 
Daar komt hij zwaar van ouderdom
Statig en traag het hoekje om
Van dromen en herinneringen
Hij belt, hij ziet me heus wel staan
Z’n open wagen achteraan
De zomertram van Scheveningen
 
En kijk, ik ben weer onverwacht
Een jongen van een jaar of acht
En voel me rijk en hou van hem
Die feestelijke gele tram
 
Daar rijdt hij haastig voor z’n doen
De stad uit onder wuivend groen
Ik stel mij ongeduldig voor
Dat ik ver weg de zee al hoor
Als we de Parkstraat in gaan draaien
Maar bij de Frankenslag begint
Er toch pas echt een koele wind
Over de hoofden heen te waaien
 
Nu krijgt de wagen vleugels en
Ik weet dat ik er bijna ben
Omdat de motor hoog gaat zingen
En dan draait hij het Zeeplein op
Met al z’n vlaggetjes in top
De zomertram van Scheveningen
 
M’n vader heeft een wandelstok
M’n moeder draagt een witte rok
En ‘t ezeltje waarop ik rijd
Is aardig en neemt alle tijd
 
Tussen de planken van de Pier
Zit er bij elke stap een kier
Waardoor je of je wilt of niet
Beneden je de golven ziet
Die groen en woest elkaar begraven
Een man met baard knipt m’n portret
Een zwart en krullend silhouet
Een schuit gaat fluitend naar de haven
 
Het strand maakt vrolijk, licht en blij
De dag gaat veel te vlug voorbij
In flitsen en in schitteringen
En al die tijd in ’t hemels blauw
Wacht boven in de verte trouw
De zomertram van Scheveningen
 
Ik zit weer op wat glimmend hout
De richelvloer ligt vol met goud
Van 't laatste afgeschudde zout
En ik hou m’n schelp in m’n hand
 
Daar rijdt de tram weer naar de stad
Maar nu of hij geen haast meer had
De avond komt, maar 't is nog warm
Mijn vader drukt m’n moeders arm
En ik denk zo zou het moeten blijven
Zo met die zeewind in ons haar
Zo zondags en zo bij elkaar
Geluk door niemand te verdrijven
 
Op een balkon niet ver vandaan
Moet nog een schepje van me staan,
Zo gaat het over, al die dingen
Een vader met een wandelstok
Een moeder met een witte rok
De zomertram van Scheveningen
 
Ter nagedachtenis aan Michel van der Plas 23-10 1927 - 21-07-2013
Uit: Moeder, ik wil bij de revue – Nijgh en Van Ditmar 2006