Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Ooit zat ik op een hobbelpaard en was ik indiaan
en werd mijn achterbuurt een bos zodra ik er doorheen sloop
Mijn hoofdtooi was een stuk papier, mijn boog was een banaan
En vriend noch vijand zag me gaan als ik van steen naar steen kroop

Dan maakte ik een brandweerwagen van mijn nieuwe fiets
en bluste met onzichtbaar water niet-bestaande branden
Ik vloog naar Pluto op een kleed, in alles zat wel iets
Het sufste ding wordt waardevol in creatieve handen

Toen kwam er plotseling een dag waarop ik niet meer speelde,
en trapte tegen dat wat eens mijn speelgoed was geweest
Een dag waarop ik me niet meer vermaakte, maar verveelde
Hoe meer mijn lichaam groeide, des te kleiner werd mijn geest

Nu hang ik op de bank en tel de vlekjes op de muren
en vraag me af wat er in al die jaren is gebeurd
Wanneer ik van een kind verwerd tot één van die figuren
die net als ieder ander bang binnen de lijntjes kleurt

Waar is de jongen die als kapitein de grootste zee
met slechts een mattenklopper en zijn bed bevaren kon?
Soms, als ik in de spiegel staar, dan vaar ik met hem mee,
dat joch dat niet bevreesd was
als de nieuwe dag begon..

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

In Leestekenland

 Morgenstern, screenshot

Leestekenland kan niet meer bogen 
op een volmaakte maatschappij. 
 
De komma en de punt betogen: 
‘Puntkommavolk draagt nooit wat bij!’ 
 
Meteen vormt zich een actiefront: 
de Weg-met-de-puntkomma-bond. 
 
De vraagtekens zijn weggeslopen, 
die houden graag hun opties open. 
 
Snel smoort men tussen accolades 
’t gekreun en de jeremiades 
 
van de puntkomma’s, en met haken 
voorkomt men dat ze stennis maken. 
 
Dan komt het minteken, en baf! 
– het trekt ze van het leven af. 
 
De vraagtekens zijn terug en kijken 
hoofdschuddend naar de verse lijken. 
 
Maar ai! de strijd is niet gedaan: 
gedachtestreep valt komma aan – 
 
en snijdt hem snoeihard door de hals 
zodat hij – na onthoofding – als 
 
puntkomma, dodelijk verwond, 
zijn bloed mengt met die op de grond. 
 
Men draagt de beide typen stakkers 
in stilte naar de dodenakker. 
 
Wat rest van de gedachtestreepjes 
sluit zwijgzaam aan, met zwarte sleepjes. 
 
Het uitroepteken preekt van vrede, 
dubbelepunt deelt pepermunt; 
 
bevrijd van komma-achtigheden 
sjokt men naar huis: streep, punt, streep, punt… 

Christian Morgenstern (1871-1914)


  
Im Reich der Interpunktionen 
 
Im Reich der Interpunktionen 
nicht fürder goldner Friede prunkt: 
 
Die Semikolons werden Drohnen 
genannt von Beistrich und von Punkt. 
 
Es bildet sich zur selben Stund’ 
ein Antisemikolonbund. 
 
Die einzigen, die stumm entweichen, 
(wie immer), sind die Fragezeichen. 
 
Die Semikolons, die sehr jammern, 
umstellt man mit geschwungnen Klammern, 
 
und setzt die so gefangnen Wesen 
noch obendrein in Parenthesen. 
 
Das Minuszeichen naht und – schwapp! 
Da zieht es sie vom Leben ab. 
 
Kopfschüttelnd blicken auf die Leichen 
die heimgekehrten Fragezeichen. 
 
Doch, wehe! neuer Kampf sich schürzt: 
Gedankenstrich auf Komma stürzt – 
 
und fährt ihm schneidend durch den Hals – 
bis dieser gleich – und ebenfalls 
 
(wie jener mörderisch bezweckt) 
als Strichpunkt das Gefild bedeckt!… 
 
Stumm trägt man auf den Totengarten 
die Semikolons beider Arten. 
 
Was übrig von Gedankenstrichen, 
kommt schwarz und schweigsam nachgeschlichen. 
 
Das Ausrufszeichen hält die Predigt; 
das Kolon dient ihm als Adjunkt. 
 
Dann, jeder Kommaform entledigt, 
stapft heimwärts man, Strich, Punkt, Strich, Punkt…