Vanaf 1952 schreef Kees Stip (1913-2001) onder het pseudoniem Trijntje Fop (ontleend aan één van de dichtende klasgenoten van Woutertje Pieterse) dierenversjes voor de Volkskrant. In de loop der jaren schreef hij er vele honderden, die in diverse bladen en bundels werden gepubliceerd.
Een grote verzameling "Trijntje Fops" verscheen in 1988 onder de titel Het Grote Beestenfeest.
De dierenversjes zijn bijzonder vormvast. Er wordt nooit met het metrum gesmokkeld: de versregels hebben zonder uitzondering vier heffingen. Het rijmschema is aabbcc.
Meestal wordt ergens in het vers, vaak in de eerste regel, een plaatsnaam genoemd.
De meeste Trijntje Fops bestaan uit zes regels; af en toe zijn het er acht en bij uitzondering een nog hoger even aantal.
Er bestaat er ook een van twee regels. Af en toe bevatten de laatste regels een ouderwets geformuleerde pseudo-moraal.
Voorbeelden:
Op een woerd
‘Den Haag’, zo sprak een woerd, ‘is blijkbaar
per trein uit Utrecht onbereikbaar.
Want telkens als ik het probeer
begint een goudgebiesde heer
zijn longen vol met lucht te happen
en roept dan: ‘Woerden overstappen!’
De bok van Siddeburen
In Siddeburen was een bok
die machtsverhief en worteltrok.
Die bok heeft onlangs onverschrokken
de wortel uit zichzelf getrokken,
waarna hij zonder ongerief
zich weer in het kwadraat verhief.
Maar ‘t feit waardoor hij voort zal leven
is, dat hij achteraf nog even
de massa die hem huldigde
met vijf vermenigvuldigde.
Kees Stip
