hij droomde weg in verre fantasieën
het was heel vroeg, de lucht had nog wat iels
hij legde zich te rusten op een biels
één wiel ging door zijn hals, één door zijn knieën
hij ruste zacht, in vrede en in drieën

Wanneer je jongeheer een oudeheer is,
dan moet hij af en toe een tukje doen,
waarin hij droomt dat hij nog in de weer is.
Onstuimig als de knuppel van een smeris
geeft hij de hele wereld van katoen.
Wanneer je jongeheer ooit met pensioen is
dan droomt hij van de dagen van weleer.
Hoewel hij niet meer weet wat van katoen is
en geen idee heeft wat er nog te doen is,
toch blijft je jongeheer je jongeheer.